donderdag 10 januari 2019

Sublieme nacht

Niet

zaniken maar lachen

het gourmetstel rookt geduldig

honger in vinexhuizen

en

lallende buiken nijgen naar elkaar

lichamen zingen:

the living and the dead

give in and wave to me

en

sauzen van Calvé daartusschen

stijgen als boze demonen

tussen de gestorven dieren

naakt als kleitabletten zonder vorm

-weggerot rood wordt mogelijk blauw

als je traag kijkt-

en

het dons van een spinnende kat

smeert mijn huid onaantastbaar vuil

geenszins om de liefde

de eerste tekenen van vastgeschoten honger.



(ik kijk hier niet naar uit.



de frietjes zijn wél knapperig)



en ook:

de man bij de bleke lynxen wijst

ik sta bloot, een kwal tussen mijn benen

‘Neem de tijd, als je dat wilt. De planten op het balkon verdorren.’

Stille drift zwijgt op-geleefd

dit is allemaal gisteren al begonnen

maandag 18 juni 2018

Hardstop. Reset.




De man tegenover mij is de enige in de coupé die niet op zijn telefoon bezig is. Misschien heeft hij er geen. Ik heb hem niet eerder in de trein van 17.35 gezien. Hij heeft zijn benen over elkaar geslagen, onder zijn schoenen zie ik modder. Zeker in de duinen gewandeld en nu op weg naar huis. Op zijn schoot een opengeslagen boek met plaatjes van vogels. Een vogelaar dus. Dat dat soort mensen nog bestaat.
            Ik pak mijn telefoon en maak level 478 op Candycrush af. De snoepjes op mijn scherm spatten uit elkaar, Candycrush vertelt me dat ik het goed gedaan heb, divine, ik stijg op de ranglijst boven mensen uit die ik niet eens ken, met wie ik maar één ding gemeen heb: we spelen Candycrush op een hoog niveau. Sommige namen op de lijst kom ik vaker tegen, ze staan regelmatig in de top 10. Ik hoop dat ik hen ook opval.
De trein rijdt weg van station Haarlem Spaarnwoude, snijdt het landschap in tweeën. Rechts het laatste restje bebouwde kom, links de eerste koeien van de lente. In de coupé stilte onder het gebonk van de wielen op de rails. Ik wacht tot Candycrush een nieuw level laadt. Een stuk modder laat los van onder de schoen van de vogelaar en valt op de grond.  Het bos. Hij is niet naar de duinen geweest, maar naar het bos. In de duinen is alleen zand.
De vogelaar buigt voorover om een boerderij na te kijken. Hij strijkt door zijn piekerige haar dat alle kanten op springt. Heel ander type dan Gerard. Die was alleen maar met z’n werk bezig. Dat dacht ik tenminste altijd. Tot twee maanden terug. Was het alweer zo lang geleden? Er was niets veranderd sinds Gerard vertrokken was. Behalve misschien dat zijn afwezigheid definitief geworden was. Nu was er iemand anders die op hem wachtte, die vast net zo tevergeefs als ik probeerde om zijn aandacht van zijn werk af te leiden, die haar best deed in nieuw aangeschafte lingerie - niet aan denken. Niet meer aan Gerard denken. Het is voorbij. Level 479 staat klaar. Fijn, die spelletjes: je hebt steeds vijf levens. En als je meer wil, koop je gewoon bij. In de weerspiegeling van het raam glimlach ik naar mezelf terug. Helemaal niet zo oud. En ook nog niet echt lelijk.
            Met mijn vinger veeg ik digitale snoepjes over elkaar. Ik mis een bom, chocolade breidt zich uit. Ik ga dit level niet winnen. Waarom? Heb ik soms niet goed opgelet? Ik kijk op, de vogelaar kijkt net weg. Ik zie mezelf door zijn ogen: een triest mens, vluchtend in een stom spel. Anders besta ik niet. Ik ben onzichtbaar geworden, ik ben kwijt. Er is niets van me over dan mijn avatar op Candycrush. Anna1979. Gerard had gelijk: er is niets meer aan mij te beleven.
            Verloren.
            Ik smijt mijn telefoon met de buitelende snoepjes in mijn tas, maar vis hem er vervolgens meteen weer uit.
            Verloren.
Kutspel.
En dan vind ik het erg dat ik ervan baal dat ik verloren heb.
De vogelaar glimlacht naar me. Ik zie wolken in zijn ogen, bossen en weilanden. Kampvuren die nog aangelegd moeten worden, bergen met sneeuwtoppen, bloemenbedden op de hellingen. Ik vraag me af wat hij in mijn ogen ziet. Hetzelfde wat ik zie waarschijnlijk, wanneer ik ’s avonds in de spiegel kijk: geen zin meer.
Klaar. Dit moet stoppen. Ik druk Candycrush weg. Mijn telefoon gloeit na in mijn handpalm. Candycrush is oneindig, je kunt het niet uitspelen. Het gaat maar door. Altijd hetzelfde. Verloren? Volgende keer beter. Nog tien minuten tot je nieuwe levens hebt.
            Ik kijk om me heen. Een kat in het weiland. Stapelwolken aan de horizon, het zal vanavond wel gaan regenen. In de coupé is het nog altijd stil. Niemand ziet mij. Fysiek in de trein, maar slechts online aanwezig. We zijn allemaal ergens anders. Behalve de vogelaar. Hij zit wel echt in de trein. Hij glimlacht opnieuw naar me en knikt alsof hij op me zat te wachten, slaat zijn boek dicht, wijst naar iets wat zich achter mij bevindt.
            Ik volg de richting waarin zijn vinger wijst. De noodrem. Opnieuw kijk ik hem aan. Weer knikt hij.
Dat meen je niet. De noodrem?!
            Het gebonk van de wielen op de rails overstemt mijn hartslag - leef ik nog? De noodrem. Dit is het moment om eraan te trekken. Om alles te stoppen.  Misbruik wordt bestraft, in geval van nood gebruiken. Mijn geval is nood. Ik zit in de verkeerde trein. De eindbestemming is niet waar ik heen wil. Candycrush, deze trein, het is uitzichtloos. Eruit moet ik, dát vooral, uit deze voortdenderende trein, de wereld in, gezien worden, mezelf terugvinden. Gras onder mijn voeten, wind in mijn haren. Is dat wat deze vogelaar bedoelt? Ik kijk naar hem, hij beantwoordt mijn blik niet, staart in de verte achter de horizon. Nee. Natuurlijk niet, natuurlijk wil hij niet dat ik aan de noodrem trek. Wat een ei ben ik. Hij wees op iets anders, niet op de noodrem. Waarom zou hij? Hij kent me helemaal niet. Hij bedoelt vast iets anders. Maar wat?
            Ik kijk opnieuw over mijn schouder naar het kastje met de noodrem. Als ik niets doe, dendert het voort, het einde tegemoet. Vanzelf stopt het niet.
Ik sta op. Loop naar het kastje. In geval van nood. Niemand ziet me. Ze kijken allemaal op hun scherm. Behalve de vogelaar. Die glimlacht. En knikt weer.
            Ik reik naar de rode hendel. Ik voel niets. Geen spanning. Geen aarzeling. Het moet stoppen. Nu. Ik trek.
            Gesis. Stalen wielen krijsen op de rails. Alles remt. Ik val in het gangpad, trek mezelf overeind aan een stoelleuning.
            We stoppen. We stoppen echt. De trein gilt. Alles schudt. Er vliegen vonken langs de ramen. Het landschap komt schokkend tot stilstand.
Dan plotseling stilte.
Niemand kijkt. De vrouw met de parelketting. De jongen met de dopjes in zijn oren. Het jongetje met de telefoon van zijn vader. Alsof er niets gebeurd is, staren zij naar hun scherm. Waar zij zijn, is er niet aan de noodrem getrokken, zij denderen onverstoord voort terwijl alles om hen heen is gestopt.
Mijn hart bonkt in mijn hoofd: ik heb aan de noodrem getrokken. Mijn bloed slaat door mijn aderen: ik vóel mezelf. Ik heb een lichaam gekregen.
De vogelaar verbreekt de stilte, zijn bulderlach klinkt vreemd en dreigend, als vanuit een andere wereld, een plek waar ik niet meer wil zijn. Ik trek de schuifdeur open en ren naar de deur, druk op de knop. Dicht. Geen beweging in te krijgen. De noodknop deurvergrendeling. Misbruik wordt gestraft. Alweer. Ik sla het glas in met de punt van mijn telefoon, het touchscreen breekt, ik druk op de noodknop. Zuchtend gaat de deur open.
Alleen koeien. Niemand houdt mij nog tegen. Niet de deur, niet de machinist, niet de spoorwegpolitie, niet Gerard. Ik begin te rennen, de dijk af. Dan de sloot. Ik neem een aanloop en spring. Zigzag tussen de herkauwende koeien door. Achter mij de trein, een geelblauwe slang in het landschap. De vogelaar kijkt me na, zwaait. Ik steek mijn hand op, zwaai terug. Mijn telefoon heb ik niet meer vast, die heb ik vast laten vallen, in het gras, of eerder al: toen ik over de sloot sprong.
Vooruit ga ik. Mijn hart bonst, mijn hoofd gonst. Vóóruit, ik leef!
Een sloot. Veel breder dan de eerste. Hijgend kom ik tot stilstand. Om vooruit te gaan, hoef je niet altijd te bewegen. Mijn hoofd is al verder gerend, voorbij de sloot, voorbij het weiland, de boerderij met de molen en de bomen aan de horizon. Ik kijk om, de trein kruipt door het landschap. Ook de koeien zijn in beweging gekomen. Kauwend komen ze op me af, loeien. Ze hebben me gezien. Ik wacht, ik kan niet verder. Ze stoppen niet, draaien om me heen, stampen het gras rond mijn voeten plat, duwen hun neus tegen mijn buik. Drukken me plat met hun zware vlekken. Het is oké, ik vóel. Ik hap naar adem. Ik leef.

             
           
           
           
           

             







dinsdag 17 april 2018

De dochter


Ze had geen idee waarom ze hem niet haar echte naam had gegeven.

Hij stak zijn hand uit, ze pakte hem aan. Julia Mars. Misschien omdat ze allebei niet pasten op deze plek, tussen deze mensen. Twee buitenstaanders die elkaar ontmoetten en die elkaar de volgende dag zomaar weer vergeten konden zijn.

Ze had haar fiets vanmorgen op de brug tussen twee overgespoten rammelbakken geparkeerd. Meestal was er langs de reling minder plek, vandaag was het niet druk. Waarschijnlijk door de regen die was voorspeld. Bij een van de boekenstalletjes in de overdekte passage naar het binnenplein van de Oudemanhuispoort, kocht ze Nooit meer slapen. Niet dat ze van plan was om straks te lezen. Daarvoor was ze hier niet gekomen. Ze was hier ook niet om rechten te studeren aan de faculteit die in gebouw gevestigd was.

Er stond een groep studenten te roken bij een prullenbak, net als de vorige keer dat ze hier was. Nu twee jongens en drie meisjes van een jaar of twintig. Het perkje rond het standbeeld in het midden van het plein was net gemaaid, op het stenen pad lag gras te verkleuren. Aan de andere kant was een bankje waar ze al eerder een tijd had zitten wachten tot de studenten na een hoorcollege naar buiten kwamen. Het zou nog wel even duren, ze had de lesroosters opgezocht, het college was nog halverwege. Ze ging zitten en hield het boek opengeslagen op schoot. Uit de pagina’s steeg de geur van muffe verhalen op, van oude mannen met sigaren in de luie stoel bij de open haard. Het papier was geel uitgeslagen, langs de randen bijna bruin. De lijm kraakte bij iedere bladzijde die ze omsloeg. Haar ogen gleden over een alinea, iets over Alfred en een vergeten landkaart. Ze kende het boek, ze had het net te lang geleden gelezen om zich het verhaal precies te herinneren.

De groep viel uiteen, de meisjes gingen door een groene deur de rechtenfaculteit in, de jongens slenterden de andere kant op en verlieten het plein via de passage en de boekenmarkt.  Het werd stil op de binnenplaats, met uitzondering van een duif die onzichtbaar in een van de bomen koerde.

De lucht betrok, grijze wolken kropen over het oude kloostergebouw en legden het pleintje in de schaduw. Ze rilde en sloeg het boek dicht. Ze had te lang stil gezeten, ze kon beter wat heen en weer lopen over de binnenplaats. De eerste bladeren fladderden vergeeld door de lucht, nog even en dan zat er geen groen meer aan de bomen. De duif vluchtte bij de eerste windvlaag met klapperende vleugels in de grote boom. In de stad zijn wandelaars veilig, je kunt altijd wel ergens schuilen, het noodweer trotseren is een keuze.
Het was gaan regenen. De groene deur ging open, er kwam niemand naar buiten. Ze kon zo naar binnen lopen, niemand merkte haar op, ook de portier achter het glas niet. Het was in de hal lichter dan ze verwacht had. De geur van natte jassen omringde haar. Ze baande zich een weg door de studenten, ze speurde de gezichten af. Allemaal onbekend, Anna was hier niet. Toch bleef ze om zich heen kijken. Ze was hier niet toevallig, en toch: ze had op dit moment net zo goed op een andere plek in de stad kunnen zijn.  

Haar jas rook naar de eerste regendruppels op de droge aarde in het bos, de mouwen kleefden aan haar blote armen. Even nog bleef ze staan in het midden van de hal tussen al die vreemde gezichten. Pratende monden, lachende tanden, handen streken door haren, ogen flitsen langs. De massa draaide om haar heen, niemand merkte haar op. Daarom kwam ze hier graag. Ze kon hier zijn zonder op te vallen.

Ze maakte aanstalten om naar de uitgang te gaan. Ze baande zich een weg door de studenten, niemand liet haar door. Het was te druk, er was te weinig ruimte om opzij te stappen. Ergens halverwege richting de deur kwam ze hem tegen. Ze had hem al eerder opgemerkt toen ze zoekend een rondje had gelopen door de hal. Iemand die hier niet hoorde. Iemand die opviel. Die baard, de grijze muts op zijn hoofd, de kleding die langs zijn lichaam slobberde. Ze bleef staan, ze ontweek hem niet, hoewel ze zich dat wel had voorgenomen toen ze hem tussen de studenten zag opdoemen. Het was of hij op haar wachtte. Ze ontweek zijn blik, toch stapte hij op haar af en stak zijn hand naar haar uit. Zijn uitgestoken hand, ze had hem aangepakt. Ze voelde de grove vingers dankbaar op haar huid drukken.

‘Thom,’ zei hij. ‘Met een h na de t.’

‘Julia Mars.’

Hij rook niet naar drank, wel muf. 

Hij vroeg of hij haar soms ergens mee kon helpen. ‘U lijkt de weg kwijt,’ zei hij. ‘Misschien kan ik iets voor u betekenen.’

Door zijn Nederlands klonk een accent dat ze niet thuis kon brengen. Zijn ogen stonden opmerkelijk helder voor iemand die zich hulde in een oversized jas met veel zakken waarvan de stof zichtbaar had geleden onder het leven buiten, in perkjes, onder bruggen. Zijn schouders waren nat, de regen had met een donkere stift een patroon op de bovenkant van zijn rug getekend. Hij was ook jonger dan ze van een afstand had geschat. Een jaar of twintig, dacht ze. Net zo oud ongeveer als Anna.

‘Ik heb alleen geschuild voor de regen. Het is nu gestopt lijkt wel, ik ga zo weer.’

Nu probeerde ze toch langs hem te komen, hopelijk snapte hij het, maar hij volgde haar. Samen bewogen ze naar de uitgang, twee mensen die hier eigenlijk niet zouden moeten zijn.

‘U bent op zoek. Ik heb u zien zoeken. U loopt steeds rondjes,’ zei hij vlakbij de deur.

Ze zweeg. Ze hoefde niet te antwoorden. Ze hoefde niets uit te leggen. Dat had ze wel geleerd: hoe meer je uitlegde, hoe meer onbegrip, hoe heftiger de oordelen. Het liefst zei ze helemaal niets meer, tegen niemand.

‘Ik kijk een beetje rond,’ zei ze, ‘net als u. Eigenlijk.’

Het maakte niet uit waar ze zocht, in welke stad, in welk café, op welke universiteit - áls ze maar bleef zoeken. Op zoveel mogelijk plaatsen aanwezig zijn, daar gaat het om. Door te blijven zoeken verschoof de zinloosheid van de zoektocht naar de achtergrond.

Hij hield de deur voor haar open. ‘Ik ben helemaal vanuit Zweden komen lopen. Ik ben op veel plekken tegelijk. Helemaal vanuit Zweden naar hier.’

Ze herhaalde wat ze eerder had gezegd, dat ze alleen schuilde voor de regen en dat ze nu verder moest. Ze had nog afspraken, zei ze, ze moest zich haasten. Hij leek het niet te horen, hij bleef vriendelijk de deur open houden. Om van hem af te zijn gaf ze hem het boek dat ze vanmiddag gekocht had. Hopelijk liet hij haar dan verder met rust. Hij glimlachte terwijl hij het voor haar omhoog hield. ‘Nooit meer slapen.’

‘Dat zou verschrikkelijk zijn,’ zei ze. En ze glimlachte toch maar naar hem terug. ‘Weet je dat verhaal, Nooit meer slapen, speelt zich af in het hoge noorden, een beetje waar jij vandaan komt. Alfred, de hoofdpersoon gaat daar op zoek naar de resten van ingeslagen meteorieten, maar hij vindt ze nooit.’

‘Hopelijk vind jij wel wat je zoekt,’ zei hij. ‘Dank je wel. Ik ga het lezen.’

Hij deed een stap naar achteren. De deur viel dicht. Ze was weer alleen op de binnenplaats. Sommige mensen kom je in de stad maar een keer tegen, de volgende dag ben je ze vergeten. Dat zou met deze vreemde vogel vast ook zo gaan, dacht ze, het was een passant, over een paar dagen vloog hij verder naar het zuiden. Het leek haar een man die nooit via dezelfde weg terug liep. 

Rond de prullenbak pikten duiven in een boterhammenzakje. Ze stoven uiteen toen ze er dwars doorheen liep. Boven haar hoofd koerde nog altijd de eenzame duif in de boom.

woensdag 12 april 2017

Ik vertrek


Het was zover. Ik was vertrokken. De trein reed nog maar net Amsterdam uit, de stoel naast me was nog leeg. Ik zag de stad aan de andere kant van het raam voorbij snellen, het ritme van de wielen voelde ik bonken in mijn buik. Lara’s gezicht op het perron liet me niet los.

‘Je gaat het wel redden zonder mij, je bent nu volwassen,’ had ik gezegd, maar nu het moment daar was dat we echt voor langere tijd afscheid moesten nemen, wist ik dat niet zo zeker.

‘Ga nu maar,’ was het enige dat ze gezegd had. En ze gaf me de tas met de picknick voor onderweg. Toen had ze zich omgedraaid en zag ik haar de roltrap afgaan. Ze keek niet meer om. Dat was verstandig van haar want ik weet niet wat ik gedaan had als ik haar tranen had gezien.

Ik zette mijn handtas voorlopig op de stoel naast me. Ik voelde een opwinding in mijn lijf die ik me van schoolreisjes herinnerde. Het landschap vloog in tegenovergestelde richting aan me voorbij, waardoor ik steeds uitzicht had op windmolens, huizen en torens die de trein allang voorbij geraasd was. Tot aan Parijs zou ik achteruit rijden. Daar stapte ik over op de tgv richting het zuiden.

Het zou me niet vergaan als de mensen in Ik vertrek op televisie, waar half Nederland lekkerbekkend zat te kijken naar hoe de dromen van een Nederlands echtpaar ten onder gingen in den vreemde. Ik zou ook geen Bed and Breakfast beginnen zoals de mensen uit de serie meestal deden, maar een wijnbar. Klein en succesvol. En gezellig.

Gezellige kroegen bestonden in Frankrijk niet. Vooral op het platteland deed de neonverlichting aan het plafond pijn aan je ogen. In mijn café zou het licht gedimd zijn en ik wilde oude tafeltjes en lege wijnflessen met kaarsen in de hals gestoken, waarvan het vet romantisch langs het glas naar beneden droop. Geen handig te dweilen plavuizen wilde ik, maar houten vloerdelen die ik al besteld had via internet. En tegen de gevel zou ik een wijnrank laten groeien, die van het terras een aangename plek in de schaduw maakte. In augustus zouden de druiven zwaar omlaag hangen. Alleen kwaliteitswijnen zou ik schenken, in kristallen glazen, net als bij de wijnbar om de hoek in Amsterdam, waar het altijd vol zat. De vergunning voor het terras moest ik nog wel even regelen. Daar zou ik volgende week achteraan gaan.

Gisterenmorgen was de container met huisraad vertrokken: de stoel van oma, een bureau van mijn vader en de fotoboeken van Lara. Er zat ook het meubilair in voor de wijnbar. Via markplaats had ik het goedkoop op kunnen kopen. Pas over twee weken zouden de spullen aankomen in het dorp. Ikzelf stapte vanmiddag al de trein uit, mijn nieuwe leven in.

Ik sloeg de Classement des meilleures vins de France open en probeerde te onthouden wat ik las. Moest ik dit echt allemaal weten om een wijnbar te beginnen? Ik las drie bladzijden, toen ruimde ik het boek weer op in mijn tas met de boterhammen. Gelukkig had ik het nummer van die wijnkenner. Ook een Nederlander in Frankrijk. Ik nam me voor hem te bellen zodra ik me had geïnstalleerd.

In Valence stapte ik over op een regionale trein.

Wat ben ik een geluksvogel, dacht ik toen ik in de bocht van een rivier mensen in de schemering zag barbecueën terwijl hun kinderen nog in het water lagen.

Ik pakte mijn telefoon, ik was er nu bijna. Er waren geen nieuwe berichten binnengekomen, hoewel ik met mijn nieuwe buurvrouw had afgesproken dat we elkaar in de loop van de dag nog zouden sms’en. Dédé zal toch niet vergeten zijn dat ze me vanavond zou komen ophalen van het station?

Chère Dédé, typte ik, i’m arriving at the station in ten minutes. Ik twijfelde. Toen schreef ik: amicalement, Saskia.  

Waarschijnlijk had Dédé me verkeerd begrepen. Zo goed sprak ik geen Frans en in die kleine dorpjes woonden nog mensen die geen woord over de grens spraken.   

Toen ik tien minuten later het station uit kwam, zag ik meteen dat Dédé er niet was. Ik zette mijn rolkoffer naast het stenen bankje bij de uitgang en wachtte. Er stond ook een man met een kind op de parkeerplaats, maar die werd niet veel later opgehaald door een blauwe Peugeot. Nu was het plein leeg, met uitzondering van drie scheef geparkeerde auto’s. Dédé liet niets van zich horen.

Ik probeerde haar te bellen, maar er werd niet opgenomen. Er zat niets anders op. Als mijn lift er over een half uur nog niet was, zou ik het hele eind naar Château de Bride gaan lopen. Hoeveel kilometer was het nou eigenlijk? Met de auto deed ik er altijd een kwartiertje over.

Mijn rolkoffer ratelde over het asfalt. Het was al donker. Nog honderd meter en dan stopte de rij lantaarnpalen. Tot aan de splitsing zou ik lopen, als er daarna koplampen in mijn rug prikten, zou ik mijn duim opsteken. Pas na die splitsing gingen alle auto’s dezelfde kant op, aan het einde van de weg lag alleen nog Château de Bride. Ik dacht aan de lege keuken, waar ik in het kastje godzijdank een blik ravioli in tomatensaus had achtergelaten. Voor noodgevallen.

Alleen op het platteland werd het ’s nachts donker. In de stad was duisternis alleen maar relatief. Ik was al zeker een kwartier aan het lopen sinds de splitsing, maar er kwam geen auto. Naast de weg schuifelde een beest in de struiken. Geen egel, daarvoor maakte het teveel geluid. In het donker leek de weg langer, het geluid van de wieltjes achter me zwol met iedere stap aan.

Ter hoogte van de eerste brug zag ik eindelijk het licht van koplampen over de stammen van de bomen scheren. Ik draaide me om en bleef staan, mijn schoenen in het gras, duim omhoog. De auto remde af, maar dat was alleen omdat hij een scherpe bocht naar links moest maken voordat hij over het smalle bruggetje ging. Na de brug trok hij op en verdween in de duisternis. Dat was dus een van de negenentachtig dorpsgenoten die me in de duisternis achterliet. Misschien had de bestuurder me niet gezien, je moest op deze wegen altijd goed opletten in de bochten, maar ook de volgende auto die langs het weggetje omhoog slingerde, gaf me geen lift.

De fontein op het pleintje kletterde in het donker. Behalve in tijden van droogte stroomde het water altijd. De auto van Dédé was geparkeerd op de plek waar ze hem altijd neerzette. Ik keek omhoog, naar de eerste verdieping, waar de huiskamer van mijn buurvrouw was. Er brandde licht. Er klonk gelach. Ze had bezoek. Bezoek dat wél verder dan de keuken mocht komen.

Voordat ik mijn eigen huis binnenging, keek ik nog een laatste keer naar het verlichte raam bij Dédé. Het gordijn bewoog, alsof er iemand achter had staan gluren.   

woensdag 1 maart 2017

Level 315


´Mildred! Ik loop even naar de boekwinkel,´ roep ik vanuit de gang naar boven.
Omdat ze zit te schrijven aan haar nieuwe roman, gaat ze niet mee. Ik vraag het niet eens meer. Ik heb mijn jas al aan, in mijn zak een linnen tas voor op de terugweg. Met sommige boeken kun je over straat, het boek dat ik wil kopen stop ik liever in een tasje. Ik ga naar de winkel voor een handboek. Het wordt op meerdere sites aangeprezen als wondermiddel.
De deur vliegt open. Ze staat ineens bovenaan de trap.
´Wacht. Ik ga mee.´
´Hoeft echt niet. Ik kan het best alleen.´
´Nee. Nee. Ik wil mee.´
´Wat ga je kopen? Je leest nooit boeken.’
‘Ik schrijf ze wel.’
Ze kijkt me vanonder haar wenkbrauwen aan, beweegt ze op en neer. Ik moet nu zeker iets begrijpen. Het kwartje valt niet. Soms snap ik haar niet. Ze rent de trap af. Onder haar trui dansen haar borsten. Het is veel lang geleden dat ik ze in mijn handen mocht houden. En daar moet iets aan gebeuren. Ik wil haar niet kwijt. Ik ga een handboek kopen.
‘Oké, dan gaan we samen,’ zeg ik.
Het is misschien niet eens zo gek om het handboek samen te gaan kopen. Ik kijk hoe ze haar lippen stift voor de spiegel in de gang.
‘Heb jij de sleutels?’ vraagt ze.
Ik knik en trek de deur dicht. Op de gracht komt ze dicht naast me lopen. Ze steekt haar arm door de mijne. In de Westerstraat lopen we weer los. Daar is de stoep te smal om gearmd te lopen. Aan het eind van de straat zie ik het uithangbord van de Island boekhandel al. Op een blauwe berg boeken zit een mannetje te lezen tegen een gele achtergrond.
Ik denk aan hoe aardig ik de werknemers van die winkel vind. Altijd vriendelijk. Altijd in voor een praatje. Ik kom er graag. Soms alleen om te snuffelen tussen nieuw verschenen debuten. Dat maakt ze niets uit. Andere keren koop ik wél iets. Mildred komt er bij mijn weten nooit. Ik weet niet waarom ze opeens mee wil. Misschien gaat het haar niet om de winkel, maar om mij. Ze vindt het gewoon gezellig om even mee te lopen. Het handboek is een wondermiddel nog voordat ik het gekocht heb.
‘Goedemiddag, Harry. Goedemiddag mevrouw.’
Zodra we de winkel binnenkomen, worden we vriendelijk begroet. Het is de eerste keer dat ik wel herkend word en Mildred niet.
Ik ga niet meteen op zoek naar het handboek. Eerst kijk ik op de tafel met nieuw verschenen literatuur. De vriendelijke boekhandelaar komt naar me toe.
‘Kan ik u helpen zoeken?’ vraagt hij.
Het is of ik in een spiegel kijk. Hetzelfde grijze haar, dezelfde lok. Geen rode trui, maar een gele, wat op hetzelfde neerkomt. Alleen draagt deze man een bril. Meestal wijs ik iedere hulp af. Nu geef ik hem het papiertje waarop ik de titel heb genoteerd. De gele trui knikt en verdwijnt tussen de kasten. Ik loop niet mee, ik blijf bij de tafel hangen. Geen van de titels spreken me aan.
Mildred staat bij tafel met leestips. 
‘Meneer, ik kan het niet vinden. Kunt u even hier komen alstublieft?’ roept ze.
De gele trui komt terug met het handboek. Ik stop het meteen in het linnen tasje en loop ermee naar de kassa, waar een winkelmeisje achter de balie staat.
‘Meneer, mijn boek ligt er niet.’ Mildred wijst op de plank met de top twintig van de medewerkers. ‘U geeft hier leestips aan uw klanten en u hebt mijn boek vergeten erbij te leggen.’
Er zijn nog meer mensen in de winkel, alleen Mildreds stem verbreekt de rust. Ik hoop dat ze geen scène trapt, niet nu ik dit handboek moet afrekenen. De verkoopster zou zich de opgewonden schrijfster met haar man zeker herinneren. Ik wil zo min mogelijk ophef maken.
‘Excuses mevrouw. Ik wil uw boek graag lezen. Ik sta altijd open voor schrijvers die mij tot nu toe onbekend zijn. Wat is de titel?’ vraagt de gele trui.
‘Ik ben Mildred de Wit.’
‘Ach nu zie ik het. Excuses. Loopt u even mee. Uw werk staat hier.’
Ik leg het handboek op de toonbank. Het meisje glimlacht. Ik betaal en verlaat de winkel. Dit doe ik dus niet meer: met Mildred naar een boekhandel. Binnen hoor ik mijn naam. Ik antwoord niet en wacht naast de kranten bij de deur tot ze vanzelf naar buiten komt. Het spijt me dat ik die vriendelijke trui nu niet heb kunnen bedanken voor zijn hulp.
 ‘Sta je hier?’ vraagt ze. ‘Waarom wacht je niet even tot ik klaar ben?’
‘Moest dat nou, Mildred?’
‘Wat?’
‘Je hebt je daarstraks aangesteld. Niet te geloven. Ik schaam me dood. Ik kom hier iedere week.’
‘En volgende week zie je mijn roman mooi tussen de tips staan. Zullen we aan de overkant een bakje doen? Ze hebben daar goede koffie.’
Omdat ik niet wil dat Mildred in het tasje kijkt, houd ik het op het terras tegen mijn buik geklemd. De koffie is inderdaad lekker.
‘Wat heb je gekocht, Harry? Laat eens zien.’
‘Ik wil het eerst zelf lezen. Kijken of het wat is,’ zeg ik. Er komt een vrouw langs met een hond.  In haar holle ogen lees ik alles wat ze in haar leven niet gehad heeft. In haar rechterhand bungelt een zakje terwijl ze het dier aanmoedigt om alsjeblieft nog een plasje te doen voordat ze weer naar huis gaan. ‘Moet je die vrouw zien. Ze praat tegen die hond of het een kind is.’
‘Belachelijk,’ zegt Mildred. ‘Honden zijn beesten. Vieze dieren die op de straten schijten. Baby’s hebben tenminste nog luiers.’
Ik zeg: ‘Laatst zag ik een buldog, zo’n klein gekreukeld beestje, met een speen in zijn gekreukelde bekje. Toen de bazin me zag kijken, zei ze dat hij het ding zojuist op straat gevonden had.’
‘Idioot.’
‘Je vraagt je af of zo’n hondje in een kinderstoel bij het avondeten zit. En of het beest in een wieg slaapt op een lichtroze kamer.’
‘Nee Harry. Dat vraag jij je af. Jij verzint meteen een verhaal, ik zie gewoon een hond met een speen.’ Ze knijpt me in m’n onderarm. ‘Wat heb je nou gekocht? Doe niet zo flauw. Mag ik zien?’ Ze trekt aan het tasje op mijn schoot.
‘Het – het is een handboek. ’De klokjes van de Noorderkerk spelen. Een nieuw geluid. Thuis horen we alleen de Westertoren. ‘Het is een boek over – over seks.’
Ik had misschien niet moeten fluisteren.
Mildred lacht hoog achter haar hand. ‘Harry! Stoute jongen. Ik wist niet dat ze dat ook verkochten in die keurige boekhandel van je.’
‘Houd op Mil,’ zeg ik. ‘Het is een handboek.’
Op de tafel naast ons eten twee vrouwen appeltaart met een grote toef slagroom. Ik weet niet of ze ons gesprek volgen. Ze praten zelf in ieder geval niet, maar steken hun lepeltjes met een verontrustende regelmaat in hun mond.
‘Waarom koop jij in godsnaam een handboek over seks? Wil jij trouwens ook taart?’
Ze kijkt rond of ze de serveerster ziet. Naast ons likken de dames zwijgend slagroom van hun lepeltjes.
‘Ik zou wat vaker willen vrijen,’ zeg ik.
Ik fluister niet meer, praat ook niet hard.
‘En dan koop je een boek?’ Mildred lacht. ‘Je kunt beter wat vaker het initiatief nemen.’
‘Je wilt ’s avonds nooit. Je zit altijd te schrijven.’
De serveerster zet de appeltaart op tafel. Mijn stuk met slagroom, Mildred zonder.
‘Laat dat handboek eens zien.’
Ik leg het boek op tafel en sla het meteen open zodat voorbijgangers de titel niet kunnen zien. Er staan godzijdank geen tekeningen in. In hoofdstuk 1 begint het stappenplan. Het boek vertelt dat je iets moet doen om seks te hebben. Met een afwachtende houding kom je in het levens nergens en al helemaal niet tot een hoogtepunt. In het boek is ‘doen’ onderstreept.
‘Heb regelmatig seks. Dat neemt de druk eraf,’ citeer ik. Ik laat mijn vinger over de regels glijden zodat zij het ook kan lezen. Ze grinnikt.
‘Waar vanaf?’ Ze grijpt in mijn kruis.
Op tafel piept mijn telefoon. Ik krijg een melding van Candycrush dat ik verder mag spelen in het volgende level.  

dinsdag 28 februari 2017

Vegetariër

Mijn rolkoffer trilt over de straatstenen. Vannacht heb ik de sticker van Buurman & Buurman eraf proberen te krabben. Ik had toch niets te doen, de nachttrein liet op zich wachten en mijn telefoon heb ik niet meegenomen. Pa en ma denken nog altijd dat ik niet doorheb dat ze er een tracker op hebben gezet. Zestien jaar ben ik, en via mijn telefoon overal vindbaar om op die kloteboerderij te werken.
De huizen langs de gracht hellen donker voorover. De eerste zonnestralen kleuren het bovenste gedeelte van de gevels. Ik vraag me af wat ik ook al weer in de grote stad kwam doen. Pa en ma gaan over een half uur naar de koeien. Het zal niet lang meer duren voordat ze merken dat ik niet in bed lig. Alleen als ze me nodig hebben voor de boerderij, bonzen ze op mijn kamerdeur, de rest van de tijd laten ze me met rust. Ze snappen toch ook wel dat ik te oud ben om ’s morgens uit mijn bed te komen om voor de beesten te zorgen?
Een geel vierkant in de rij donkere ramen. Het is het enige huis waar al lichten branden. In de vensterbank staat een bordje: HOTEL, altijd plek.
Ik houd er niet van om zomaar mensen te begluren, maar hier staan de gordijnen ver open. En ik ben een jongen alleen, ik moet toch weten waar ik straks zal slapen? De stoep is netjes aangeveegd. Er liggen helemaal geen bladeren, terwijl de straat er vol mee ligt. Ze blijven steeds steken achter de wieltjes van mijn koffer.
Ik moet op mijn tenen staan om naar binnen te kunnen kijken. In de haart smeult vuur na. Op de schoorsteenmantel staan fotolijstjes en een kat van wit porselein met een belletje om de nek. En kijk, er staan kopjes klaar en een theepot op een waxinelichtje. Het servies lijkt op dat van oma. Ze haalde het alleen op zondag uit de kast. In de kussens van de bank lees ik de afdruk van iemand die er net nog heeft gezeten.
Voordat ik aanbel, wordt er al opengedaan. In de deuropening verschijnt een gedrongen vrouw, haar handen gevouwen voor een gebloemd schort.
‘Jongeman, U komt als geroepen,’ zegt ze glimlachend, ‘Er is deze week een kamer vrijgekomen.’
De geur van vlees met veel knoflook komt me vanuit het binnenste van het huis tegemoet en vervliegt in de nacht. In de gang staat onder de kapstok een rij schoenen, vooral modellen voor heren. De veters zijn gestrikt.
‘Komt u maar, zet uw koffer hier maar neer.’
Ze trekt mijn zware koffer over de drempel en zet hem bij de schoenen. Ik stap erachteraan. Pas als mijn jas op de kapstok hangt en we in de huiskamer staan, waar het inderdaad nog heerlijk warm is en waar het naar haardvuur ruikt, stelt ze zich aan me voor. Ik ben te moe om haar naam te onthouden en kan alleen maar aan het bed denken dat ergens in het huis voor me opgemaakt is. Ik hoop op een donzen dekbed en heel veel kussens. Van ma moet ik altijd mijn eigen bed opmaken.
‘U lust vast wel een kopje thee. U ziet eruit of u een zware nacht achter de rug heeft.’ Ze pakt mijn arm vast en knijpt erin. ‘Gaat u maar lekker op de bank zitten.’
Ik wil helemaal geen thee, ik wil alleen maar slapen, ik ben al de hele nacht onderweg, maar het is onbeleefd om te weigeren. Dus neem ik plaats tussen de kussens, terwijl zij rommelt met de kopjes. Op het schoteltje legt ze een lepeltje, een klontje suiker en een koekje. De thee dampt. Hij is net gezet. Alsof ze op me zat te wachten.
‘Zo, nu hoeft er niemand meer naar binnen te kijken,’ zegt ze.
Ze sluit de gordijnen. Daarna verdwijnt ze naar de gang, waar ik haar het slot van de voordeur hoor omdraaien. Met de sleutel tussen duim en wijsvinger komt ze terug.
‘Als u naar buiten wilt, hoeft u de sleutel alleen maar even te vragen. Voorlopig blijft u binnen.’ Ze laat de sleutel in haar schort glijden. ‘Vertel jongeman, wat doet u op dit uur alleen op straat?’
Ik wil een verhaal ophangen over een gemiste trein en een logeerpartij bij een verre tante, maar voordat ik iets kan zeggen, gaat ze verder: ‘Ach, wat onaardig van me, ik heb u niet eens het huis laten zien. Wat moet u wel niet van mij denken? Gewoonlijk ben ik gastvrijer.’
Ik denk helemaal niets over haar. Behalve dat ze fucking gestrest overkomt. Alsof ze opgewonden is dat er eindelijk iemand op haar bank zit. Als een roofdier op haar prooi. De kat op de schoorsteenmantel likt tevreden haar stenen poot.
‘Komt u toch, ik laat u de keuken zien.’
Ik loop achter haar aan, hoewel ik liever tussen de kussens was blijven zitten. Zodra ze de deur naar de keuken openschuift valt de geur van vlees over me heen. Dikke walmen hangen tegen het plafond. Er staat er geen raam open en er is ook geen afzuiger.
‘Er staat stoofvlees op het vuur. Het is heerlijk mals, het staat al twee dagen te pruttelen in de saus. De vorige bewoner was er dol op. Kooklucht in huis ruikt altijd zo gezellig, vond hij. Het is alsof hij er nog een beetje is zo.’
In de hoek staat een grote vrieskist die de helft van de ruimte in beslag neemt. We hebben er thuis net zo een in de bijkeuken. Ma bergt er haar koeien in op, in grote zakken met een datum, nadat vader het beest in stukken heeft gehakt. Thuis is de kist nooit leeg, er zijn altijd nieuwe koeien die erin kunnen. Ik vraag me af wat een alleenstaande vrouw met zo’n vrieskist moet.
‘Hoe lang geleden is het nu dat de vorige bewoner vertrokken is?’ vraag ik.
Ze neemt het deksel van de pan en roert in de saus. Door de vleesdampen die vanuit de pan opstijgen kijkt ze me aan terwijl ze de lepel naar haar mond brengt en hem af begint te likken. Als ze klaar is, veegt ze haar lippen af aan een hoek van het schort, alsof het een stijf gestreken servet in een chique restaurant is. Het is te veel vlees. Ik word misselijk.
‘Houdt u van stoofvlees?’ vraagt ze.
Ik denk aan haar tong over de houten lepel.
‘Ik ben sinds kort vegetariër.’
Nog zo’n rotstreek van me. Arme moeder, wat moet ze nu met haar koeien? En vader lust geen groente, alleen aardappels en vlees.
Ik ga op de vrieskist zitten. Het staal voelt aangenaam koel in de warme keuken. Ik gaap, ik ben misselijk. De vrouw doet het deksel op de pan en komt bij me staan. Ze leunt met haar heup tegen de kist. Ze ruikt zuur uit haar mond, als een leraar die teveel koffie drinkt. Ze glimlacht.
‘Weet u, die vorige bewoner is hier lang geweest. Die vergeet ik niet gauw. In zekere zin is hij hier nog altijd.’ Met gebalde vuist bonkt ze op de kist. Ik voel het staal onder mijn billen trillen. De omtrek van de sleutel in het schort is door de stof heen te zien. Ik zou er zo bij kunnen, maar ik durf niet.
Ik denk aan pa en ma bij de koeien. Het geluid van hun klompen onder mijn slaapkamerraam. Mama’s pantoffels op de trap, de haan van de buren. Het bonken op mijn deur. Haar lieve handen door mijn haar.
‘Mag ik de sleutel?’ vraag ik en ik wijs naar de gebloemde buik.
‘Nu al?’ vraagt ze. ‘Zo snel? Je hebt nog niet geslapen.’
‘Ik wil naar huis.’
De baard is opeens uit mijn stem verdwenen. Op het aanrecht bij de pan ligt een vleesmes. Ik ben sneller dan zij. Ik kan er zo bij. Als die heks mij de sleutel weigert, zal ik –
‘Heel goed, mijn jongen. Ik houd je niet tegen. Hier is de sleutel. Gebruik hem om de goede deuren te openen.’
Vaag wijf, denk ik. Dat mens spoort niet.
De sleutel ligt warm in mijn handpalm. Voordat ze zich bedenkt, spring ik van de kist, pak mijn jas en de koffer en draai de sleutel om in het slot. Op de Westertoren glimt de haan in de zon. Zijn snavel wijst naar het oosten.
Pas later, in de trein met mijn koffer waarop de resten van de buurman & buurman sticker kleven, realiseer ik me dat ik geluk heb gehad. Ik ben in het goede hotel terecht gekomen. Ik had het niet beter kunnen treffen. Straks op het station zal ik mama bellen.

donderdag 17 maart 2016

Writer's block

Hij zat al een half uur achter zijn computer, maar er kwam niets uit zijn vingers. Alles stond op zijn plek: zijn bureau was leeg, met uitzondering van de computer, de boekenkast achter zijn rug had hij opgeruimd en hij had stevig ontbeten. Julia lag nog zeker twee uur in bed. De krant lag nog niet op de deurmat.
Alles was in gereedheid voor het verhaal dat hij vanochtend gepland had te schrijven.
Buiten was het nog donker. Hij stond nu al maandenlang in het weekend eerder op dan Julia, zodat hij kon schrijven terwijl zij nog in bed lag. Geen gezeur, een schop onder je kont en schrijven, zei hij tegen zichzelf als de wekker in het donker afging. Discipline is schrijvers beste vriend.
Julia draaide zich kreunend om, maar hij stapte opgetogen uit bed. Een half uur later zat hij vol verwachting achter zijn bureau. Maar er gebeurde nooit niets. Toch bleef hij staren naar het lege document op het beeldscherm, zijn vingers dan weer in de aanslag boven het toetsenbord, dan weer zoekend naar zijn telefoon waarop hij zo graag Candycrush speelde. Terwijl de snoepjes op het scherm over elkaar heen buitelden vervloekte hij zichzelf om zijn eigen zwakte. Als hij niet kon schrijven, speelde hij Candycrush en dat was dus heel vaak.
Overal op internet stonden schrijftips. Eén daarvan was: gaan zitten en gewoon beginnen. Dus zat hij. Zelfs toen buiten de eerste vogels begonnen te kwetteren, een merel en wat mussen, kwam hij niet verder dan: ‘Buiten begonnen de eerste vogels te kwetteren.’ Een zin die hij een uur later weer wiste. Het was al heel wat: éen zin op papier. 39 letters maar liefst. Ze waren ook zo weer weg, zonder een spoor achter te laten, terwijl de echte vogels buiten gewoon doorgingen met hun ochtendzang, was hij weer terug bij af. 
‘Ik geef het op,’ zei hij tegen zijn computer, ‘Het lukt me niet. Ik ben geen schrijver.  Ik ga iets anders doen.’ En zijn vingers graaiden alweer naar de telefoon, waarop een pushbericht van Candycrush aankondigde dat hij maiximale levens had. 
De krant viel op de deurmat in de gang, Julia schuifelde beneden al op haar pantoffels door de keuken heen en weer, de waterkoker ruiste en sloeg af, buiten om de hoek stortte een vrachtwagen de glasbak leeg, restanten van een nacht vol alcohol, maar op zijn beeldscherm keek de cursor hem nog altijd zwijgend aan.
Hoe deed Proust dat? Naar aanleiding van zo’n stompzinnige Madeleine schudde hij duizenden bladzijden aan jeugdherinneringen uit zijn mouw. Was hij ooit aan zijn bureau gaan zitten, net als hij, met een hoofd vol verhalen? Hoe was die eerste zin op papier gekomen? En hoe had Proust verder geschreven? Wat waren zijn rituelen? En wat maakte dat het hem, Harry Wuppertal, niet lukte? Madeleines genoeg. Zakken vol aanleiding voor verhalen.
Vandaag had hij eens iets anders geprobeerd. Toen na een uur op zijn stoel, starend naar de icoontjes op het bureaublad van zijn computer, de woorden niet kwamen, had hij een pen gepakt een vel lijntjespapier. Bladerend in zijn notitieboekjes was hij op een adres en een telefoonnummer gestuit, maar hij wist niet meer van wie. Dat was wel een mooi gegeven voor een verhaal: een man wordt wakker in een vreemde omgeving. Op het nachtkastje ligt naast zijn telefoon een briefje met een telefoonnummer en een adres. Het is het begin van een zoektocht. Een beetje cliché, maar hij stelde eigenlijk allang geen hoge eisen meer. 
Duizend woorden was genoeg, het zou een kort verhaal worden.
De hoofdpersoon kwam op zijn zoektocht in een louche café terecht, ergens in de chique buurten van Amsterdam, rond de PC bijvoorbeeld.
‘Kan u zich echt niets meer herinneren?’ vroeg de ober terwijl hij de glazen polijstte.
‘Nee, het is vreemd,’ zei hij. Erik moest hij heten, ja, Erik was een leuke naam voor zijn hoofdpersoon.
‘Waarom belt u het nummer niet? Dan weet u meteen naar wie u zoekt.’ De ober hing de glimmende glazen omgekeerd in een rek boven zijn hoofd.
‘Dat durf ik niet, dan heeft mijn schrijver geen verhaal meer.’
Bedankt Erik, dacht hij terwijl hij de trap af ging om samen met Julia koffie te drinken, bedankt voor de moeite, maar het is al te laat: jouw schrijver barst van de verhalen, maar hij kan er verder niets mee. Het papier met de schuin krullende letters lag al verfrommeld in de prullenbak. Aan zijn handschrift kon het niet liggen.





donderdag 18 februari 2016

Mein neuer Freund, een allegorie

(dit verhaal schreef ik voor de schrijfwedstrijd van d eboekenweek. Thema: Duitsland, Was ich noch zu sagen hätte...)

Je at worst die ik niet lust. Je dronk dranken die ik niet drink. Je geloofde niet wat ik geloof. Toch zaten we vannacht samen aan een tafel terwijl jij mijn hand vasthield en ik vertelde over hoe ik naar jou toe kwam: de ruzies, de haat, het bedrog, de golven en de oranje zwemvesten in het water.  Maar vooral sprak ik over berouw.  ‘Het voelt als vreemdgaan,’ zei ik, ‘ik voel me schuldig dat ik liever ergens anders wil zijn dan bij hem.’ 
‘Ik ben blij dat je er bent. Nu. Hier.’ Je mond glimlachte warm in het kaarslicht, je woorden werden opgetild door de muziek. En toch is het voor jou anders, dacht ik, jij hoeft niemand te verlaten, jij gaat verder met je leven, maar nu samen met mij. 
Langs de ramen schoven buiten schimmen zoekend voorbij. Er werd ook steeds aan de deur geklopt, er werd geroepen, maar zij hadden minder geluk dan ik, omdat zij jou niet ontmoetten, deed er niemand open. Toen het begon te sneeuwen en te schemeren, schoof de ober zwaar de rode gordijnen dicht. ‘Zo blijft de kou buiten,’ zei hij, ‘en de warmte binnen. Wilt u nog iets drinken?’  Jij bestelde nog bier, ik legde mijn sigaretten op tafel.
‘Je mag hier niet roken,’ zei je, ‘als je wilt roken moet je naar buiten. Het is daar koud.’  Ik rookte en klopte onafgebroken op het raam, zodat je me niet zou vergeten, maar door een kier in de gordijnen zag ik dat jij al zat te praten met de ober, die nu dreigend met zijn hoofd schudde, terwijl hij je een stapel papieren liet zien. Zijn wijsvinger omhoog gestoken vormde zijn mond het enige woord in deze vreemde taal dat ik zelfs dwars door metersdikke muren begreep: Nein. Nein. Als een vis op het droge happend naar adem. Nein.
Ik had binnen moeten blijven, je niet los moeten laten. Maar wat wij samen hebben is nog zo pril. En ik verlang nog altijd naar die ander. Jij komt niet kijken. Hoe hard ik ook schreeuw en met mijn vuisten op de ruiten bonk, je komt zelfs niet even naar me zwaaien. De ober heeft de deur op slot gedraaid, de kier in de gordijnen is dicht. Ik los op tussen de schimmen. Ik moet nu gaan.

Lief Duitsland, bedankt voor deze nacht.  Ik kwam jouw leven in en zonder iets te zeggen nam je me mee naar deze tafel, je gaf me te drinken, je streelde mijn hand en ik wilde jou kussen.  Nu moet ik verder, alleen met al die anderen.  Naar een ander huis. En terwijl ik de straat uit ga, schuifelend langs weer andere ramen, hoop ik dat ik morgen weer iemand ontmoet zoals jij. En dat ik dan misschien mag blijven. 

woensdag 9 december 2015

Me getting viral

Het jongetje ligt in de branding, op zijn buik, zijn billen iets omhoog, zijn armen langs zijn lijfje alsof hij slaapt,  allebei zijn schoentjes heeft hij nog aan. De zee is het kussen waarin hij zich verstikt heeft. Zijn rode truitje is nat en plakt op zijn levenloze rug.
Daar op het strand kwam ik met één druk op de knop ter wereld. Vanaf het moment dat ik genomen werd, had ik een missie: ik zou de discussie over vluchtelingen veranderen, mijn afbeelding gaf ze een nieuw gezicht. Voor mij geen grenzen. Geen woeste zee, geen volle boot, geen wapens, geen hekken. Integendeel. Met een grenzeloze snelheid verspreidde mijn afbeelding zich over de wereld. Vanaf de voorpagina van de krant schreeuwde ik miljoenen mensen toe tijdens de koffie. Talloze moeders verstopten hun onverwachte tranen, zodat hun blije kinderen niet van slag raakten en met onbeantwoorde vragen naar school moesten.  
Ik was beroemd, ja, meer dan dat. Het was niet zoals de bekendheid van een acteur die af en toe in het nieuws was, nee, werkelijk iedereen kende mij, die dag was er niemand die mij niet ergens tegenkwam: was het niet op de ontbijttafel, dan wel op internet of bij de sigarenboer die ook een rijtje kranten had liggen. Ik was die dag overal en ik deed mijn werk. Ik liet me vermenigvuldigen via Facebook en Twitter, lokte reacties uit, choqueerde.  Mijn afbeelding werd iconisch. Ik verbeeldde het leed van alle vluchtelingen.

En toch: hoe diep de mensen die dag rouwden om het jongetje dat zo tragisch om het leven was gekomen, mensenhandelaars blijven boten regelen en ik  hoor politici spreken over het sluiten van de grenzen, fluisterend in hun stille huiskamers, waar ik me vergeeld lig op te winden op de salontafel, rode wijnvlekken op de mollige beentjes van het kind. Ik kan niets meer doen. Mijn roem was van korte duur. Nieuwe afbeeldingen overspoelen de mijne, een huilende vader met een kind in zijn armen, tenten in de gietende regen, overvolle boten, een gezin achter een hek. In de zoekresultaten van Google sta ik nu ver naar onderen. Net als al die andere iconische foto’s van kinderen verloor ik niet mijn betekenis, maar wel mijn overtuigingskracht. En de zee levert opnieuw levenloze kinderen af op het strand, maar hun foto wordt niet meer genomen.  

woensdag 9 september 2015

Gladiator

Alleen het voorpand van zijn overhemd had Freek vanmorgen gestreken, maar hier zittend in de schaduw tussen de ruïnes van het Forum Romanum – want meer dan een hoop stenen is het toch eigenlijk niet – heeft hij het toch te warm met zijn colbert. Zijn lederen schoenen knellen om zijn voeten. Maar het geeft niet: naar deze reis heeft hij maanden uitgekeken. Hij heeft de veters al wat losser gemaakt.  

Vanavond  zal hij de Trevifontein zien, eindelijk in het echt. Ook al hangt de vergeelde poster op de deur van het toilet in zijn ouderlijk huis er al jaren niet meer, de afbeelding kent  hij nog altijd uit zijn hoofd: de steigerende paarden, het water turquoise  en in het midden Neptunus op zijn schelp. ‘Twee muntjes in het water,’ had zijn vader verteld, ‘en toen ontmoette ik je moeder.’

Hoewel hij als enige van de groep in de volle zon staat, lukt het de gids om op het Forum triomfbogen en tempels te laten herrijzen. Terwijl hij vertelt over Remus en Romulus en Vestaalse maagden verdwijnen de troepen toeristen die tussen de ruïnes door struinen; zij maken plaats voor romeinen en gladiatoren. Je kunt ook met zo’n gladiator op de foto, heeft Freek al gezien, er lopen verklede mannen rond. Misschien doet hij dat straks, nadat hij het Colosseum heeft bezocht, hoewel hij liever met zo’n Vestaalse maagd op de foto wil, maar die heeft hij vandaag nog niet in levende lijve zien rondlopen.

Toen hij het vliegtuig uitkwam, heeft hij bij de uitgang van het vliegveld een selfiestick gekocht. Het geeft hem een gevoel van onafhankelijkheid. Nu ziet hij dat iedereen in de groep er een heeft. Ondanks de hitte poseert hij in stijl voor het enige beeld in de rij waarvan het hoofd er niet is afgevallen: hij houdt zijn jasje aan terwijl hij de selfiestick in de lucht steekt en lacht. Voor moeder: hier ben ik! Met een van de Vestaalse maagden. Een standbeeld, maar toch. Hij schudt de twee muntjes in zijn handpalm.

Dan moet hij rennen, de groep staat met de gids al bij de uitgang. Hij had nog veel langer hier op het Forum kunnen ronddolen, zwevend tussen toen en nu, maar ze moeten verder. Er is een programma. Hij heeft zich overal voor ingeschreven. Het is lastig om over de oude keien te rennen, hij neemt zich voor om straks aan de gids te vragen hoe ze dat in de oudheid deden met hun wagens. Maar als hij hijgend en gutsend van het zweet bij de groep aansluit, loopt de gids al richting het Colosseum.

Een selfiejungle. Anders kan hij het niet noemen. Ook hij doet eraan mee. Hij maakt minstens zes foto’s. Het lukt hem niet om zichzelf zonder andere toeristen op de foto te zetten, maar goed, als er gevechten waren moet het hier in de oudheid ook een drukte van jewelste geweest zijn.

Hij heeft zich ook ingeschreven voor een wandeling langs het Pantheon en St. Ignazio. De anderen staan al op hem te wachten als hij het Colosseum uit komt. ‘Was dat niet geweldig?!’roept hij de groep al vanuit de verte toe, ‘Wat een bouwwerk! Stel je voor – ‘ Maar de gids heeft zich al omgedraaid en de rest volgt hem door de warme straten. Ze lopen harder dan hij gewend is. Het zweet stroomt langs zijn rug. Zijn keel is droog. Hij heeft nog helemaal geen tijd gehad om water te kopen sinds hij vanmorgen uit het vliegtuig stapte.

Langs een drukke straat houdt de gids plotseling stil. Zoveel kennis, niet alleen over de oudheid weet hij veel te vertellen, maar ook over het Christendom of gewoon over de stad: waar je de lekkerste ijsjes kunt kopen en waar de koffie het beste smaakt. ‘Tussen deze opgravingen lopen naar het schijnt vierhonderd katten rond. Er zijn er zoveel in Rome dat de gemeente dit jaar heeft besloten er een aantal  te vergassen –‘   Freek hoort niet wat de gids verder nog over deze zogeheten kattenkuil vertelt. Zijn voeten kloppen in zijn veterschoenen, terwijl de tenen van de anderen aanlokkelijk wiebelen in sportieve sandalen.

Eindelijk dan doet hij zijn colbert uit en hangt het nonchalant over zijn schouder.  ‘Zo vind je nooit een leuke vrouw, die kreukels op je rug.’  Hij weet zeker dat zijn moeder dat gezegd zou hebben als ze hem hier zo zag.

Hij wil ijs. Hij moet plassen. Hij heeft dorst. Maar er is geen tijd, ze lopen alweer verder, over het zebrapad de drukke weg over. ‘Niet zeuren,’ spreekt hij zichzelf streng toe, ‘je bent hier maar een dag. Het is geweldig: straks zie je de fontein.’ Wat er daarna gaat gebeuren is voor hem nog onbekend terrein. En dan neuriet hij een liedje dat hij heel lang geleden voor het laatst gehoord heeft. Op het plein voor het  Pantheon, weet hij ook de tekst weer.
Un gelato allimon, 
gelato al limon gelato al limon
Sprofondati in fondo a una citta
Un gelato al limon e vero limon
Ti piace?
Mentre un'altra estate passera

Het is binnen veel minder koel dan hij gehoopt had. Onder de koepel in het Pantheon verdwijnt het liedje tussen het roezemoezen van de toeristen. Hij weet niet hoe lang hij tussen de dolende toeristen rondliep, hij had zelfs even op een van de stoeltjes gezeten om de koepel boven zijn hoofd beter te kunnen zien, als hij beseft dat hij de groep alweer kwijt is. Zonder gids, zonder plattegrond is hij verloren. Bij de graftombe van Raphael vindt hij de groep terug. Zijn afwezigheid is door niemand opgemerkt.

Ille hic est Raphael timuit quo sospite vinci rerum magna parens et moriente mori. Tja, denkt hij, iedereen weet toch dat verhalen het leven mooier voorstellen dan het is? Maar misschien heeft hij de inscriptie boven de graftombe niet goed begrepen, dat soort teksten zijn vaak erg filosofisch.

Het zoemen van de toeristen, het geluid van voetstappen op marmer, een stoel die omvalt, de zon die door het gat in de koepel binnenvalt, zijn pijnlijke voeten, die hitte, die afschuwelijke hitte. En dan die stem van de gids met al zijn verhalen, het stopt niet. Hij is geweldig en hij weet het allemaal zo mooi te vertellen, maar kan hij niet af en toe gewoon even z’n mond houden?

 De golf die vanuit zijn binnenste omhoog komt, probeert hij nog met zijn handen binnen te houden, maar het lukt hem niet om de zure massa weer in te slikken. Het komt op de marmeren vloer terecht, precies middenin een gele cirkel. Het verbaast hem dat niemand het heeft gezien. Terwijl hij zijn mond afveegt, schuifelt er al een Duitser met gymschoenen doorheen, waardoor de plak zich uitbreidt tot buiten de cirkel.

Hij kan toch niet weglopen zonder de troep op te ruimen? Zijn hoofd gonst terwijl hij in zijn rugtas een zakdoek zoekt, zweetdruppels lopen langs zijn neus naar beneden de tas in, maar hij vindt niets.
‘Is er iets?’ vraagt de gids.
Freek schudt zijn hoofd. ‘Waarom zou er iets zijn?’
‘Goed, dan gaan we verder. Lopen jullie mee naar St-Ignazio?’

Hij voelt zich echt lichter, alsof hij in het Pantheon meer dan alleen een plak spuug heeft achtergelaten. De lucht voelt minder warm, er is nu meer schaduw in de straten en de gids lijkt minder snel te lopen nu. Hij heeft zich daarbinnen laten overweldigen door de pracht van Rome, dat is alles. De verhalen van de gids, het marmer: het heeft zijn hoofd op hol gebracht. Hij is niet de enige. Had hij in het Pantheon niet die vrouw gezien die zich bij het altaar op de grond geworpen had, haar handen naar de hemel opgeheven?


Hij is onder de indruk van de St-Ignazio. Toch gaat hij eerder dan de anderen de kerk uit. Als hij even later met een ijsje op de stoep gaat zitten, tegenover de ingang van de kerk, maakt hij met de selfiestick een foto. Het valt hem mee hoe hij er op de foto uitziet. Ergens is hij best een aantrekkelijke man. 

Hordes toeristen komen naar buiten, maar niet de gids en zijn groep. Er zal binnen wel weer een heleboel te vertellen zijn. Er lopen nu steeds meer Italianen op straat, nu de dag bijna voorbij is. Hij stelt zich voor dat ze op weg zijn naar huis na een lange werkdag achter een bureau in de airco. Hij heeft al een paar mooie dames gezien. De muntjes zitten afwachtend in zijn broekzak.

Zijn ijsje is allang op. De schaduwen worden langer. Zijn benen zijn stijf geworden van het zitten, zijn voeten protesteren in het stijve leer onder de veters  terwijl hij de trappen van de kerk beklimt. Zodra hij binnenkomt weet hij het. Zijn voeten resoneren in het gebouw. ‘Hallo?’ Zijn stem vult de gewelven. Alleen zijn stem.

 ‘Fontana di Trevi?’ Het stond met hoofdletters op de poster. Hij weet niet zeker of hij het goed uitspreekt.  De man zwaait met zijn armen. Freek doet alsof hij het begrijpt. Loopt de straat uit. Slaat linksaf en dan rechtsaf. Nergens is de groep te bekennen. Hij weet dat hij niet meer hoeft te zoeken, dat ze al te ver weg zijn, maar toch blijft hij rondkijken, op goed geluk zwalkend door de straten zoekt hij naar de stem van de gids die een jackpot aan verhalen over zijn groep uitstort. Zo groot kan een stad toch niet zijn?

Hijgend staat hij stil op een kruispunt. Zijn colbert is hij kwijtgeraakt. Waar hij allemaal gelopen heeft, kan hij zich niet herinneren. Of hij hier al geweest is, weet hij niet. Voor hem raast de stad aan hem voorbij, iemand duwt hem. Op zijn horloge ziet hij dat het al laat is. Alles is voor niets geweest. Over een half uur moet hij terug naar het vliegveld. Inchecken. De muntjes in zijn zak mee terug naar Nederland.

Er toeteren auto’s als hij oversteekt. Hij let er niet op. Rennend gaat hij nu door de straten, schreeuwend werkt hij zich door drommen toeristen heen.  In een etalageruit ziet hij zichzelf voorbij snellen, zijn overhemd nat van het zweet, zijn haren verwilderd overeind. ‘Fontana di Trevi! Fontana di Trevi!’ Hij weet niet of hij de woorden hardop uitspreekt, maar omdat de man op het bronzen paard hem linksaf wijst, rent hij verder.

Hij herkent Neptunus meteen. De man op het paard had gelijk. Als hij de hoek omslaat, staat hij eindelijk aan de rand van het plein met in het midden de fontein van de poster. Het valt hem meteen op hoe stil het er is, zo anders in vergelijking met de pleinen die hij eerder vandaag had gezien. Met de muntjes in zijn handpalm komt hij zwijgend dichterbij. Dit is het moment! Straks zal hij ze in het water gooien, zo dadelijk zullen ze verdwijnen op de bodem van de fontein tussen al die andere muntjes. Nog even en dan. Maar opeens dat hek tegen zijn borst. Hij had het niet gezien. Hij had eroverheen gekeken, naar het bouwwerk dat hij zo goed kende uit de verhalen van zijn vader. Hijgend komt hij tot stilstand.

Er is geen bruisend water, geen turquoise. Alleen Neptunus staat nog strijdbaar in zijn schelp, de rest van de fontein staat in de steigers. De bodem is schoongeveegd, er liggen geen muntjes. Een vrouw verwijdert zich van het plein, verdwijnt voorgoed in de straten van de stad. Aan de voeten van Neptunus ligt een selfiestick.